Overweging bij de feestelijke heringebruikneming van het kerkgebouw en de bevestiging van Lea van Zanten als ouderling op 17 februari - ds. H.J. Steinvoort

Waar moet je over preken in de dienst waarin we feestelijk ons kerkgebouw weer in gebruik nemen na de grondige opknapbeurt van de afgelopen maand?

Het feest wordt bescheiden gevierd. Het aantal genodigden is beperkt gehouden tot degenen van buiten onze gemeente die de opknapbeurt financieel of feitelijk mogelijk hebben gemaakt. Het is niet mijn taak hun daarvoor te bedanken. Dat komt straks, na de dienst.

Daarom staan vandaag ‘gewoon’ de lezingen volgens het oecumenisch leesrooster centraal. Lezingen vol beeldtaal.

Voor wat betreft Jeremia is die beeldtaal duidelijk. Gelukkig wie op God vertrouwt. Hij lijkt op een boom aan het water. Zijn wortels groeien tot in de rivier. Zo’n boom heeft geen last van de hete zomer, zijn bladeren blijven altijd groen. En hij geeft ieder jaar vruchten, ook in jaren van droogte. Als je hier door de kerkramen naar buiten kijkt, kun je het zelf zien. De prachtige kastanjeboom in de tuin van de pastorie hier achter heeft de hete zomer van vorig jaar goed doorstaan. God is voor ons wat water is voor een boom. Zoals een boom niet zonder water kan, kunnen wij niet zonder God. God die ons vasthoudt, als het ons goed gaat en we hoog in de boom zitten, en als het ons niet goed gaat, in de hitte van de strijd die het leven soms kan zijn. We kunnen nooit zonder God. want hoog in die boom kan al een zuchtje wind ons hevig heen en weer slingeren, net zoals we ons een speelbal kunnen voelen van het noodlot wanneer het ons niet goed gaat.

Bij Lucas is de beeldtaal minder duidelijk. In de tekst voorafgaande aan onze lezing staat dat Jezus zich terug trok op de berg. Daarna ging hij de berg weer af en bleef hij staan op het veld, waar het vlak was. Daarmee begon onze tweede lezing. Dat is een beweging van omhoog gaan en weer naar beneden komen. Die beweging gaat door in wat Jezus daarna zegt. Jezus zegent de mensen die leven onder omstandigheden die je tracht te vermijden: de armen, de hongerigen, degenen die huilen. En hij verbindt er een omkering van hun situatie aan. Want God staat aan hun kant. Daar mogen ze op vertrouwen. Dat geldt voor ieder mens. Als je goed luistert wat Jezus zegt, valt op dat Jezus niet aangeeft wat mensen moeten doen. Dat komt pas later. Maar ook dan maakt Jezus geen onderscheid tussen mensen, tussen de rijken en de armen, tussen degenen met een volle maag en die met honger. Alle mensen roept Jezus op tot dezelfde daden.

In de tekst uit Lucas van vanmorgen, richt Jezus zich tot mensen onder verschillende omstandigheden. Ieder van hen houdt Jezus hetzelfde voor: dat hun omstandigheden niet altijd dezelfde blijven. Daarbij past het beeld van een reuzenrad. Het mensenleven als een ervaring in een reuzenrad. Het reuzenrad draait door. Allemaal zitten we in dat reuzenrad. Ieder heeft kans van beneden naar boven te gaan, en omgekeerd. Jezus spreekt geen oordeel uit over mensen die arm zijn, of rijk. De zaligsprekingen en weeklachten moeten niet worden gelijkgesteld met beloning en straf. Want hoe je handelt heeft lang niet altijd invloed op de situatie waarin je je bevindt. Jezus houdt van iedereen die in het reuzenrad van het leven zit.

Niemand blijft voor altijd bovenin het reuzenrad. Want het reuzenrad draait door en je komt uiteindelijk beneden. De mensen onderaan in het rad mogen zich gezegend voelen, want ze hebben het vooruitzicht om ooit naar boven te gaan, misschien op een moment dat ze niet verwachten.

En dat geldt net zo goed voor de mensen hoog in het rad. Want als ze naar beneden komen, en met beide voeten op de grond staan, kunnen ze beter zien wat er op de grond, waar veel mensen zich bevinden, gebeurt. Je moet afdalen, net als Jezus doet, van de berg naar de vlakte, van hoog naar laag. Je ziet dan beter de realiteit van het leven. En daar leer je meer van dan wanneer je hoog in de lucht blijft hangen.

Gezegend ben je, als je inziet dat je uiteindelijk zelf niet de kracht hebt om de omstandigheden te veranderen, maar dat God je nabij is in de omstandigheden die je overkomen in je leven.

En dat brengt me ten slotte bij de psalm die we zongen na de lezing uit Jeremia. In de Bijbel in Gewone Taal luidt vers 1 van Psalm 127: Als de Heer niet helpt bij het bouwen van een huis, dan heeft het geen zin, ook al doen de bouwers hun best.

De opknapbeurt zou niet van de grond zijn gekomen zonder de bijdragen van gulle gevers, de inzet van professionele vaklieden en de hulp van zoveel vrijwilligers uit en van buiten onze gemeente. Maar ook niet zonder de hulp van God. En dat geldt ook voor de bouwers in geestelijke zin: de ambtsdragers, waarvan we er zo een mogen bevestigen in het ambt van ouderling.

Op God mogen we blijven vertrouwen, want er blijft nog veel te doen en te verlangen. Maar ook daar hoeven we geen slapeloze nachten over te hebben. Want we doen ons best en dan geeft God de rest. In dat vertrouwen mogen we als gemeente verder gaan, met als uitvalsbasis dit opgeknapte godshuis. Waar elke zondag het Woord aan ons geschiedt. Opdat wij ernaar blijven leven en op God blijven vertrouwen.

Amen